maandag 11 april 2016

Jacob Roggeveen de ontdekker van Paaseiland.

Paaseiland.


Jacob Roggeveen werd op 1 februari 1659 in Middelburg geboren als zoon van een wiskundige, Arent Roggeveen en zijn vrouw Maria Storm.
De vader van Jacob was ook cartograaf bij de V.O.C. kamer in Zeeland en was geïnteresseerd in de Stille Zuidzee en Zuidland, toen vrij onbekend, hij ontwikkelde een plan voor een reis naar die streken maar door omstandigheden kwam het er niet van.
Jacob Roggeveen was van 1693 tot 1706 notaris in Middelburg en promoveerde in 1690 als doctor in de rechten aan de universiteit van Harderwijk, hij vertrok naar Indië waar hij van 1706 tot 1714 raadsheer voor de V.O.C. in Batavia was.
In 1715 keerde hij naar Middelburg terug waar hij een nogal omstreden boek voor die tijd, afkomstig van Pontiaan uit Hattem ging publiceren, Jacob werd Middelburg uitgezet en ging in Arnemuiden wonen waar hij ook het tweede en derde deel van het omstreden werk uitgaf.
Hij besloot, toen het hem te heet onder de voeten werd, het plan van zijn vader uit te voeren en Zeeland achter zich te laten.
Hij kreeg toestemming van de W.I.C. om een reis te maken naar het onbekende Zuidland, hij kreeg hiervoor de beschikking over drie schepen, op 1 augustus 1721 vertrok hij.
Hij rondde Kaap Hoorn en kwam in de Grote Oceaan, hij bezocht de Fernandes eilanden en bereikte op 5 april 1722 eerste Paasdag een onbekend eiland dat hij Paaseiland doopte, via de Genootschapseilanden en Samoa waar een van de drie schepen zonk bereikte hij Batavia.
In Batavia aangekomen werden zijn schepen in beslag genomen en werd Roggeveen en zijn bemanning in de gevangenis geworpen. De V.O.C. beschuldigde Roggeveen (werkend voor de W.I.C.) dat hij het monopolie van de V.O.C. had doorbroken,na enige tijd werden zij met een retour vloot van de V.O.C. naar huis teruggestuurd.
Roggeveen arriveerde op 4 juli 1723 op Texel, hij had Paaseiland ontdekt en niet het Zuidland, zijn missie was mislukt.
In Middelburg ging hij weer (omstreden) boeken uitgeven, hij overleed in Middelburg op 31 januari 1729.

Jacob Roggeveen

vrijdag 8 april 2016

de Haringvlietdam.

Haringvlietdam      (rws)


De bouw van de Haringvlietdam werd in 1958 begonnen en in 1971 voltooid.
De dam die loopt tussen Goeree Overflakkee en Voorne Putte is 5 kilometer lang, en heeft twee functies: de dam moet bescherming geven tegen een toekomstige watersnoodramp, ten tweede moet de dam zorgen voor de afvoer van het Rijn- en Maaswater in de Noordzee.
De dam kent daarom openingen, 17 in totaal, die er voor zorgen dat het water van de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee stroomt, omdat de openingen zowel open als dicht kunnen kan op deze manier ook de hoeveelheid water worden geregeld die de Noordzee instroomt, de spuisluizen kunnen 25.000 kubieke meter water per seconde door laten.
Voor de scheepvaart werd er tevens een schutsluis aangelegd.

In een omdijkte bouwput van 1.400 meter lang, 600 meter breed en 10 meter breed werd het water weg gepompt, daarna werden er 22.300 betonnen palen geheid, sommige van wel 20 meter lang, daarop werd een drie meter dikke betonlaag aangelegd, hierop werden de pijlers geplaatst met er tussen de liggers waaronder grote stalen armen werden aangebracht, armen die de sluizen kunnen bewegen.
De schuiven werden 56 meter lang en 6 meter hoog. In de 17 openingen kwamen 34 schuiven aan beide zijde een. Toen men in 1966 klaar was liet men de bouwput vollopen.
Voor de afdamming van de rest de gaten (ten noorden en ten zuiden van de sluizen) werd gebruik gemaakt van de z.g.n. kabelbaan methode.
In een aantal pijlers werden speciale tunnels gemaakt waardoor vissen van het Haringvliet naar de Noordzee kunnen zwemmen of andersom.
Tot slot werd de 5 kilometer lange Haringvlietdam voorzien van een weg, de N57 met 2x2 rijstroken.
Op 15 november 1971 opende koningin Juliana de Haringvlietdam.


woensdag 6 april 2016

Het einde van de Koninklijke Nederlandse Munt?

Koninklijke Nederlandse Munt Utrecht.

Er komen moeilijke tijden aan voor de Koninklijke Nederlandse Munt, zal het bedrijf in 2017 door kunnen gaan of verdwijnt het uit Utrecht of misschien wel uit Nederland? Worden de Nederlandse munten straks in het buitenland geproduceerd? Terugblikkend is er in de stad Utrecht op het gebied van het slaan van munten meer dan 1.000 jaar activiteit geweest.
De eerste Utrechtse munten werden in Dorestad het huidige Wijk bij Duurstede geslagen en wel in de eerste helft van de 7e eeuw, het waren zgn. gouden tremissis, later werden er zilveren penningen op naam van Karel de Grote en Lodewijk de vrome geproduceerd.
In 937 werd door Keizer Otto I aan het bisdom Utrecht ten tijde van bisschop Balderik het recht verleend om geld te slaan, de Utrechtse bisschoppelijke geldstukken werden ook in Deventer en Hasselt geslagen.
Na 1528 kwam het muntrecht in handen van keizer Karel V de nieuwe heer van Utrecht.
In 1567 kwam er weer een munthuis in Utrecht dat op verschillende locaties werd gevestigd, de Muntstraat herinnert nog aan een vroegere locatie van het munthuis, in 1579 werd de zgn. landsheerlijke munt omgezet in een provinciale munt.
Veel grote handelssteden hadden hun eigen munthuis zoals: Amsterdam, Breda, Deventer, Enkhuizen, Nijmegen, Leiden Kampen, Zwolle en Zutphen ook deze gingen over naar de provinciale munt. Het munthuis van Utrecht was destijds het best uitgeruste munthuis van de Nederlanden en werd daarom als vestigingsplaats aangewezen.
Na de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 werd het bedrijf omgedoopt tot 's Rijksmunt, in 1902 kwam het bedrijf onder toezicht van het ministerie van financiën en werd in 1912 een staatsbedrijf.
Begin 20ste eeuw was het munthuis gevestigd aan de Oudegracht later in 1911 werd aan de Leidseweg een bouwwerk in neorenaissance stijl betrokken.
In 1994 werd het bedrijf verzelfstandigd met de staat als enige aandeelhouder de Nederlandse Munt N.V. op 15 oktober 1999 als Koninklijke Nederlandse Munt.
Naast reguliere euromunten worden ook herdenkingsmunten uitgegeven in afwijkende nominale waarden, deze munten zijn alleen wettig betaalmiddel in het land van uitgifte.
Tevens worden er bij de munt de koninklijke onderscheidingen gefabriceerd.
Het Nederlandse Muntmuseum dat tot 2004 deel uit maakte van de munt ging na de fusie met het Koninklijk Penning kabinet als Geldmuseum verder, in oktober 2013 werd dit wegens stopzetting van subsidie door het Rijk gesloten.
Behalve munten voor Nederland worden deze ook geslagen voor Luxemburg, Malta, Aruba en de Nederlandse Antillen(St. Maarten en Curaçao).
Een grote order voor Chili heeft de Koninklijke Nederlandse Munt in de rode cijfers gebracht waarbij niet moet worden uitgesloten dat dit begin 2017 tot een faillissement zal leiden.
Financiën probeert nu de Munt te verkopen, waarbij ook wordt aangedragen dat er door de Munt steeds minder muntgeld wordt aangemaakt omdat men tegenwoordig op andere manieren betaald,
wel vreemd als je bedenkt dat het grootste deel van het muntgeld in de portemonnee uit het buitenland komt. Spannende tijden voor de Koninklijke Nederlandse Munt.

goud gulden Frederik van Blankenheim 1393-1423












maandag 4 april 2016

Nederlandse lichtschepen.


 

Lichtschip Noord-Hinder

Het lichtschip werd op zee gebruikt op plaatsen waar de bouw van een vuurtoren niet mogelijk was en waar gevaar voor de scheepvaart was vanwege de ondieptes ter plaatse.
Het eerste lichtschip ooit de "Nore"werd in 1732 uitgelegd in de monding van de Thames, in Nederland werd in 1814 het eerste lichtschip uitgelegd (de Schuytezand)  bij het Vlie.
Nederlandse lichtschepen werden op acht posities in de Noordzee uitgezet van Noord naar Zuid waren dit: Doggersbank-Noord,Doggersbank-Zuid, Terschellingerbank, Haaks/Texel, Maas, Goeree, Schouwenbank en Noord-Hinder.Het eerste lichtschip dat speciaal als lichtschip werd gebouwd was de Noord-Hinder uitgelegd op de Noordhinderbank in 1858, in 1881 volgde de Terschellingerbank en Schouwenbank in 1890 en 1891 gevolgd door Haaks en Maas.
Al de lichtschepen die vanaf 1880 in dienst kwamen werden genummerd en konden van positie en naam worden veranderd.
1 werd in 1881 op de Rijkswerf Amsterdam gebouwd en was van hout het werd in 1935 gesloopt.
2 werd in 1881 op de Rijkswerf Amsterdam gebouwd en was van hout het werd in 1935 gesloopt.
3 werd in 1883 gebouwd op de Rijkswerf Amsterdam en in 1935 opgelegd.
4 werd in 1891 gebouwd op de Rijkswerf Amsterdam.
5 werd in 1892 gebouwd op de werf de Nachtegaal Amsterdam diende als  reserve schip, vanaf 1930: Schouwenbank na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland teruggekeerd.
6 werd in 1901 gebouwd werf Ceuvel staal met houten  en zinkbekleding in 1941 naar Kiel gesleept.
7 werd in 1909 gebouwd bij Wilton Feijenoord Rotterdam, was het eerste stalen schip, deed van 1910 tot 1965 dienst was in de oorlog walschip in Kiel.
8 werd in 1922  gebouwd bij Schuyt Papendrecht was het enige schip dat op eigen kracht kon varen.
9 werd in 1933  gebouwd bij Rijkswerf Willemsoord als Terschellingerbank door de Duitsers als luchtafweerplatform gebruikt en door Engelse vliegtuigen tot zinken gebracht.
Na de Tweede Wereldoorlog werden er nog drie schepen gebouwd de no' s 10, 11 en 12.
10 en 11 beiden gebouwd op de Rijkswerf Willemsoord, werden in 1952 resp. 1953 uitgelegd.
12 werd in 1962 bij de Waal in Zaltbommel gebouwd en was in 1963 klaar.
De bemanning (11 man) bestond uit: gezagvoerder, stuurman, hoofdmachinist, drie machinisten, 3 matrozen/ lichtwachters, kok, en scheepsjongen. Tot de taken behoorden: continue uitkijk, waarnemingen t.b.v. het KNMI. De bemanning werd 1 maal per maand afgelost later werd dit 1 maal per twee weken, tijdens de aflossing door meestal een betonningsvaartuig werden de  voorraden aangevuld.
Goeree werd in 1971 binnengehaald omdat het lichtplatform Goeree in gebruik genomen werd, in 1975 onderging Terschellingerbank het zelfde lot.
De schepen 10, 11 en 12 werden tussen 1976 en 1983 geautomatiseerd en werden afwisselend op de positie Noord-Hinder en Texel uitgelegd. De Texel no.11 sloeg tijdens de storm van 1991 los en strandde bij Petten en werd gesloopt, het schip werd vervangen door no.10, in 1992 werd dit schip binnengehaald en vervangen door een grote boei, op 21 maart 1994 werd het laatste lichtschip no.12 op positie Noord-Hinder binnengehaald en vervangen door een boei.
Twee lichtschepen zijn bewaard gebleven als museumschip de "Texel" in den Helder, en de "Noord-Hinder" in Hellevoetsluis.




vrijdag 1 april 2016

Gevlogen boven Nederland: de Hawker Hunter.

Hawker Hunter F mk.6  325 squadron Soesterberg


De Hawker Hunter werd in de tweede helft van de veertiger jaren ontworpen door het team van Sir Sydney Camm (ontwerper van de Hawker Hurricane).
Het toestel had een pijlvleugel met een hoek van 35 graden en een straalmotor met luchtinlaten in de vleugelwortels. De eerste vlucht van het prototype P. 1067 vond plaats op 20 juli 1951.
Op 7 september 1953 verbrak een aangepast prototype met Neville Duke als testvlieger het wereldsnelheidsrecord.
Beroemd was het RAF demonstratieteam "the Black Arrows" met 22 Hawker Hunters in formatie en meer van recenter datum de "de Patrouille de Suisse". In totaal werden er 1.972 Hunters gebouwd.

De luchtmachten van België en Nederland zochten een opvolger voor de Gloster Meteor, in 1953 werd de Hawker Hunter door 4 ervaren vliegers aan de tand gevoeld, met goed resultaat.
Er werd een consortium opgericht waarin Fokker, SABCA en Avions Fairey gingen samenwerken en in licentie de Hawker Hunter gingen bouwen.
De Koninklijke Luchtmacht kreeg de beschikking over 96 mk.4 Hawker Hunters met een Rolls Royce Avon mk.120 motor met 3.630kg stuwkracht.
De eerste 6 Hunters werden in het Verenigd Koninkrijk gebouwd de overige door Fokker die tussen februari 1956 en november 1957 werden afgeleverd.
In 1957 werd de productie gestart van de eerste van in totaal 93 Hawker Hunters mk.6, de aflevering werd in 1959 afgerond. Om aan de zwaardere eisen voor onderscheppingsjagers te kunnen voldoen
werden onder de vleugels van de Mk.6 ophangpunten gemaakt om de Sidewinder te kunnen meevoeren.
De trainingsversie van de Hunter de T Mk.7 werd in het verenigd Koninkrijk gebouwd en in de jaren 1958, 1959 afgeleverd, 20 stuks in totaal.
De Hunters van het 322 squadron zijn van 1960 t/m 1962 gestationeerd geweest op Biak in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea, de toestellen werden er heen getransporteerd door het vliegkampschip de Karel Doorman.
In eerste instantie waren ook de Hunters van een squadron code voorzien:
322 squadron   code 3W      donkerblauw              Soesterberg, Biak
323 squadron   code Y9       lichtblauw                  Leeuwarden
324 squadron   code 3P        oranje                         Leeuwarden, Twenthe, Leeuwarden
325 squadron   code 4R       geel                            Leeuwarden, Soesterberg
326 squadron   code 9I         rood                           Woensdrecht, Soesterberg
327 squadron   code 7E        rood                           Soesterberg

Op 27 augustus 1968 vertrokken de laatste vier Hunters vanaf de vliegbasis Soesterberg naar Dunsfold in het Verenigd Koninkrijk.
De squadrons 322 & 323 gingen over op de F-104G Starfighter, het 3325 squadron werd gedeactiveerd, de squadrons 324, 326 en 327 werden Geleide Wapen squadrons en in West Duitsland gestationeerd.
De N-122 en N-144 maken deel uit van de collectie van het Nationaal militair Museum in Soesterberg.
Sinds 2005 vliegt de Dutch Hawker Flight vanaf de vliegbasis Leeuwarden met twee ex RAF Hunters een Mk.6 en een Mk.8c.

woensdag 23 maart 2016

Slag bij Livorno 14 maart 1653, dood van Johan van Galen 23 maart 1653.

Johan van Galen

Slag bij Livorno 14 maart 1653















In de eerste Engels-Nederlandse oorlog verloor de Republiek door verwaarlozing van de vloot 1.000 tot 1.700 schepen, de Engelsen echter 250 tot 500 schepen.
De overwinning van Van Galen tijdens de slag bij Livorno was dan ook een enorme opsteker in de Republiek.

Johan van Galen werd rond 1604 in Essen (Rijnland) geboren, zijn vader stierf jong. Johan was genoodzaakt om elders voor de kost te zorgen de zee trok hem zodoende kwam hij in de Republiek terecht.  Hij moet over de benodigde capaciteiten op zeevaartgebied en leidinggeven hebben beschikt want op 26 jarige leeftijd was hij al commandeur op een klein schip. Hij was in dienst getreden bij de "directie kamer van Amsterdam" Om kapers te bestrijden werd een semi officiële "directie voor vaart op het Oosten en Noorwegen" gesticht door een aantal zakenlieden, men verzorgde verschillende taken zoals konvooieren van schepen en bestrijding van kapers, taken die later door de marine van de Republiek zouden worden uitgevoerd. Van 1631 tot 1638 voerde hij op konvooidienst in ket Kanaal en op de Oostzee. Hij maakte al snel naam bij het veroveren van twee schepen van Duinkerker kapers waarvoor hij een gouden ereteken kreeg uitgereikt. Zijn eerste echte succes behaalde hij tijdens de slag bij Duins tegen een Spaans Portugese vloot in 1639. In 1645 voer hij op de Gouden Maen als Schout-bij-nacht waarbij hij een konvooi naar de Oostzee begeleide om een Deense blokkade van de Sont te doorbreken. Tussen 1648 en 1650 streed hij tegen de Barbarijse zeerovers nog steeds in dienst van de "directie". In 1652 kreeg van Galen het verzoek van de Staten Generaal zich aan het hoofd van een flottielje te stellen als commandeur. De eerste Engels Nederlandse oorlog was inmiddels uitgebroken. Op 3 augustus vertrok hij voor reis over land via de Alpen naar Livorno om de commandeur aldaar te vervangen.
Op 7 september tijdens de slag bij Elba veroverde hij de Phoenix en joeg hij de rest van het Engelse smaldeel onder Appleton de havens van Porto Longone en Livorno in.
Appleton rekende op de komst van Richard Badiley met een vloot van 8 schepen en ging te vroeg de slag met van Galen aan, drie van zijn schepen werden veroverd en twee vernietigd, alleen het schip dat sneller kon zeilen dan de schepen van Van Galen ontsnapte en voegde zich bij Badiley.
Toen Badiley de Hollanders in het vizier kreeg, ging hij er van door de vloot van de Hollanders was te groot.

Tijdens de slag bij Livorno toen zijn vlaggeschip werd beschoten werd van Galen geraakt zijn onderbeen werd verbrijzeld. Tijdens de hitte van de strijd probeerde van Galen zich overeind te houden maar zakte ineen, hij werd benedendeks gebracht waar zijn been tot aan de knie werd geamputeerd, daarna werd van Galen  weer naar het dek gebracht waar hij de slag verder leidde.
Na de strijd ging de vloot de haven van Livorno binnen waar Johan van Galen naar het huis van de Hollandse Gezant werd gebracht, daar werd hij verder verpleegt, door bloedvergiftiging ging zijn toestand verder achteruit, hij riep zijn kapiteins bij zich om afscheid te kunnen nemen en stierf 9 dagen na de zeeslag op 23 maart 1653.

Johan van Galen ligt begraven in de Nieuwe Kerk van Amsterdam, waar in 1656 een praalgraf ter ere van hem werd opgericht.

zondag 20 maart 2016

Marten Toonder vader van de nu 75 jarige Tom Poes.





Het is deze week 75 jaar geleden dat Tom Poes voor het eerste in de Telegraaf verscheen.
Marten Toonder is waarschijnlijk de grootste striptekenaar die Nederland ooit gekend heeft, maar dat is niet alles. Door Toonders toedoen is de Nederlandse taal een aantal kleurrijke gezegdes rijker geworden, veel van de zegswijzen uit zijn verhalen zijn deel geworden van de Nederlandse taal denk maar aan: zielknijper, bovenbaas, minkukel, denkraam en denktank.
Hij werd niet voor niets in 1954 benoemd tot lid van de maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Marten Toonder werd op 2 mei 1912 geboren als zoon van Marten Toonder Sr., gezagvoerder bij de koopvaardij en Trijntje Huizinga.
Zijn vader was eigenlijke de inspirator voor de passie die zijn zoon had voor het striptekenen, als kapitein op de grote vaart bracht hij de eerste Amerikaanse tekenstripmagazines mee naar huis.
Als 18 jarige ging Marten met zijn vader mee naar Zuid America waar hij in Buenos Aires de vroege animator van Walt Disney ontmoette, Dante Quiterno, van hem leerde hij de techniek van het stripverhaal en de tekenfilm. Terug in Nederland kreeg hij van zijn vader 1 jaar de tijd om te bewijzen dat hij in het vak de kost kon verdienen.
In 1933 volgde Marten tekenlessen en begon zijn loopbaan bij uitgeverij Nederlandse Rotogravure Mij N.V. In 1935 trouwde hij met zijn buurmeisje Phiny Dick (ook zij maakte tekeningen schreef kinderboeken en strips).In 1938 werkt Toonder voor uitgeverij Diana en bedenkt Dom Sombrero en Tom Poes, de 1e verschijnt in Zweden de laatste 2 in Argentinië en Tsjecho-Slowakije.                       In 1939 begon hij voor zich zelf, de oorlog zorgde ervoor dat de strip van Mickey Mouse uit de Telegraaf verdween, Toonder kreeg de kans Tom Poes er voor in de plaats te laten verschijnen. Toonder staat in de oorlog aan de wieg van de Toonder studio's, de Toonder studio's hebben veel bijgedragen aan de ontwikkeling van de stripproductie van eigen bodem, in de Tweede Wereldoorlog leveren de studio's werk voor het verzet, Toonder ontvangt hiervoor het Verzetsherdenkingskruis.     In 1946 verschijnt Tom Poes als strip in zo'n 50 kranten.
In 1965 verruild Toonder Blaricum voor Greystones in Ierland waar hij verder aan zijn strips werkt.
Tom Poes mag het levenswerk van Toonder worden genoemd, hij maakte meer dan 600 verhalen van deze strip waarvan er 160 als dagstrip in diverse kranten verschenen.
In 1967 begon uitgeverij de Bezige Bij met een uitgave van 43 reuzepockets met Bommel verhalen.
In 1982 schreef Toonder het Boekenweek geschenk, Op zijn 70ste verjaardag werd hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje Nassau. In 1983 volgt de première van "Als je begrijpt wat ik bedoel".
Het laatste Bommel verhaal verschijnt in 1986, Op 1 april 1998 verschijnt het laatste Bommel feuilleton in NRC: "Heer Bommel en het einde van eindeloos".
Na 1986 wijd Toonder zich aan zijn autobiografie die tussen 1992 en 1998 in vier delen verschijnt.
In 1992 ontving Toonder als 80 jarige de Tollensprijs voor zijn hele oeuvre, op 2 mei 2002 werd in Rotterdam het standbeeld "Ode aan Marten Toonder" onthuld.
Zijn laatste levensdagen bracht Marten Toonder door in  het rustoord voor bejaarde kunstenaars het Rosa Spier huis in Laren waar hij op 27 juli 2005 op 93 jarige leeftijd overlijd.

Op 5 februari 2007 ging de hoorspelenserie Bommel van start, er werden 440 afleveringen van ieder 15 minuten uitgezonden. In 2012 werd zijn geboortejaar herdacht met het Toonderjaar.
In Zoeterwoude bevindt zich het Marten Toonder museum "Museum de Bommelzolder".
Er bestaat een Marten Toonder Verzamelaarsclub met eigen blad en website.



Marten Toonder